Het hoe en waarom van de kerntaken en noodzakelijke ombuigingen Provincie Zeeland

/Het hoe en waarom van de kerntaken en noodzakelijke ombuigingen Provincie Zeeland
Het hoe en waarom van de kerntaken en noodzakelijke ombuigingen Provincie Zeeland 2012-06-01T22:17:40+00:00

“Zwarte dag Zeeland” kopte woensdag 16 mei jl. de PZC. Een dag eerder waren Gedeputeerde Staten met een voorstel aan Provinciale Staten gekomen over kerntaken en ombuigingen, dat insloeg als een bom, vooral bij gemeenten en instellingen in Zeeland.

 

Kerntakendiscussies worden overal gehouden en zolang het gaat om rapporten met modellen en denkrichtingen, leveren deze nauwelijks emoties op. Maar als het moment daar is en de kerntaken worden concreet benoemd, dan zijn de rapen gaar. Want ineens wordt zichtbaar welke geldstromen in de toekomst naar welke taken gaan en welke geldstromen worden teruggebracht dan wel worden gestopt.

 

In 2008 adviseerde de commissie Lodders de provincies om zich te concentreren op het ruimtelijk-economisch domein en op de cultuur. De terreinen voor zorg en welzijn horen volgens de commissie tot het domein van de gemeenten. De inzet van de provincie hoeft hier niet verder te gaan dan het periodiek signaleren en agenderen van vraagstukken en tekortkomingen.

 

Dit advies werd in 2008 verwerkt in een bestuursakkoord tussen het rijk en de provincies.

 

In verband met noodzakelijke bezuinigingen kwam de kerntakendiscussie in Zeeland op gang en Provinciale Staten kozen op 5 februari 2010 voor een model dat verder ging dan het model (1) van de commissie Lodders. In het destijds gekozen model 2 rekenden de Staten ook de bovengemeentelijke sociale infrastructuur tot hun taak. De toenmalige VVD-fractie stemde tegen dit model nadat haar amendement om te kiezen voor een model tussen 1 en 2 werd verworpen. De fractie wilde ook toen al echte keuzes maken: welke instellingen en activiteiten zou de provincie nog wel moeten subsidiëren en welke niet. Een meerderheid van de Staten koos echter voor de kaasschaafmethode van 20% bezuiniging over de volle breedte.

 

Daarna is het hard gegaan. De economische crisis zette verder door en ook het kabinet Rutte moest bezuinigen. Ook het Provinciefonds ontkwam daar niet aan en van de korting van totaal 300 miljoen moet Zeeland er jaarlijks 10 miljoen voor zijn rekening nemen.

 

Er kwam een nieuw onderhandelingsakkoord tussen het rijk en de provincies en er werd een scherp profiel van de provincie overeengekomen met een daarbij behorend takenpakket dat draait om ruimte en economie en de wisselwerking er tussen. Cultuur behoort ook tot de kerntaken van de provincie waar dit de lokale belangen overstijgt. De financiering vanuit het provinciefonds wordt op dit profiel geënt.

 

Met andere woorden, de provincies kunnen geld krijgen voor kerntaken en de uitvoering daarvan wordt getoetst aan financiële ijkpunten, een norm voor het niveau waarop taken moeten worden uitgeoefend. Heel nadrukkelijk wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkeltaken en beheertaken.

 

Het Collegeprogramma Stuwende Krachten 2011-2015 is ambitieus en richt zich sterk op de kerntaken en ontwikkeltaken. Voor de uitvoering van deze taken komt het college ca. 30 miljoen euro te kort. Dat geld zit voor een groot deel bij de beheertaken, waaronder ook niet-kern taken.

 

Er is in Zeeland een gegroeide situatie dat de provincie vaak zaken oppakt die eigenlijk voor de verantwoordelijkheid van de gemeenten zijn. Met dit beleid moet worden gebroken om middelen te creëren voor noodzakelijke investeringen.

 

GS doen daarvoor een aantal voorstellen die pijn doen, maar voor een belangrijk deel onontkoombaar zijn. Van de genoemde 29 miljoen worden er daadwerkelijk 19 miljoen omgebogen c.q. bezuinigd. Een bedrag van 10 miljoen blijft boven het zogenaamde ijkpunt uitsteken omdat GS rekening willen houden met wat heet de “Zeeuwse situatie”. GS kiezen daarmee voor een Zeeuws profiel, het zogenaamde 1 ½ model. Dit komt ongeveer overeen met wat de VVD fractie in 2010 met haar amendement voor ogen stond.

 

Zeeland staat voor grote investeringen. In het voorstel van GS worden o.a. genoemd de Zuidwestelijke Delta, de Marinierskazerne (2000 arbeidsplaatsen) waarvoor een regionale bijdrage wordt gevraagd, de herstructurering van oudere bedrijfsterreinen, maatregelen i.v.m. krimp en gebiedsontwikkeling. Ook de uitvoering van de Economische Agenda vergt het nodige provinciaal geld. Voor deze zaken zijn er mogelijkheden voor Europese cofinanciering, maar daarvoor is wel eigen geld nodig. Dat geld zit nu voor een groot deel in het budget voor de beheertaken en in niet- kern taken. Het voorstel van GS levert 16 miljoen per jaar aan extra investeringsruimte op.

 

Voor Zeeuwse begrippen gaat het hier om een majeure operatie. De provinciale organisatie wordt teruggebracht van ruim 660 fte naar 500 formatieplaatsen. Een aantal subsidies in de sociale en culturele sector worden verminderd en in een aantal gevallen afgebouwd tot 0.

 

GS benadrukken dat het hier niet gaat om een gebrek aan waardering voor het werk van de gesubsidieerde instellingen. Uitsluitend het feit dat deze taken niet tot het provinciaal domein behoren en er geen geld voor wordt ontvangen om deze uit te voeren, is de reden van de pijnlijke beslissingen die worden voorgesteld.

 

Het laatste woord is aan Provinciale Staten. Uiteindelijk bepalen zij de kerntaken van de provincie en de budgetten die eraan gehangen worden. Maar de speelruimte is beperkt als we de kerntaken en de Zeeuwse plus die daar wordt opgezet goed willen uitvoeren.

 

Nog afgezien van de noodzaak investeringsruimte te creëren, is er nog een ander groot belang bij de voorstellen van GS. Onderpresteren in kerntaken ten opzichte van de zogenaamde ijkpunten- en dat gebeurt bij ongewijzigd beleid- levert op den duur een lagere bijdrage uit het provinciefonds op. En dat is niet in het belang van Zeeland.

 

Tenslotte is er nog een andere aanleiding voor de noodzakelijke ombuigingen en het “orde op zaken stellen”, namelijk het uitganspunt dat structurele uitgaven ook met structurele middelen horen te worden gedekt en dus niet met incidentele geldstromen (in hoofdzaak Delta-dividend), zoals dat in de vorige periode is gebeurd met een niet onbelangrijk deel van de uitgaven op cultuur.

 

 

 

Hans van Geesbergen, Kees Bierens,

 

VVD Statenfractie.